maandag 7 november 2016

Foto's

Ze zijn er eindelijk: de foto's.
https://flic.kr/s/aHskLRAuCb

zondag 9 oktober 2016

Filmpkes

Binnenin de Cerro Rico zilvermijn was er even een rustig moment zodat het volgende filmpje kon gemaakt worden.


In het zuiden van Bolivia, op net geen 5000m hoogte zagen we deze modderpoelen en geiser.


In het noorden zagen we honderden van deze Capibara's langs de oevers van de Yacuma-rivier, in gezelschap van evenvele kaaimannen.



donderdag 29 september 2016

Gedaan

Onze laatste dag in La Paz en in Bolivië. We lopen nog wat rond door de stad en gaan op jacht naar souvenirs in het centrum.
Het is vandaag prachtig weer en heel warm tot in de late namiddag wanneer er een wolkendek over ons trekt. In de schaduw koelt het onmiddellijk sterk af.
Onze laatste maaltijd is weer, zoals altijd, een enorme berg voedsel, waarvan we een groot deel niet op krijgen. Het valt nu pas op hoe smakeloos het eten hier is in vergelijking met de verse etenswaren uit het laagland. Bolivianen eten veel, maar de keuken valt in het algemeen nogal tegen. Weinig variatie, weinig smaak, weinig (geen) saus bij het eten.

Morgen vliegen we eerst een uur van La Paz naar Santa Cruz. Tegen de middag vertrekken we daar naar Madrid, een 12-uren durende vlucht en van Madrid is het nog meer dan 2 uren naar Brussel. Tenslotte nog een half uur trein naar Antwerpen en tegen de middag (zaterdag) zouden we moeten aankomen.

Voor de geïnteresseerden: binnen een aantal weken zullen er nog wat foto's volgen op deze blog.

Groetjes,
Pascal & Veerle

woensdag 28 september 2016

Anaconda (nie vinden)

Omdat slangen koudbloedig zijn mogen wij wat langer slapen. Tegen half negen vertrekken we met de boot en een paar rubberlaarzen om op zoek te gaan naar anaconda's die ondertussen in de zon zouden moeten liggen opwarmen. We varen een eindje stroomafwaarts en leggen dan aan, om van hieruit nog een stukje te stappen.
Al snel komen we aan een open gebied en stappen eerst door een soort riet van 1,5m hoog en dan door kniehoog gras. In de verte zien we een plas water waar enkele grote vogels en een hoop eenden in zitten. Naarmate we deze vijver naderen wordt de ondergrond natter en modderig. Er zitten ook enkele kaaimannen in het gras en in het water, maar die bewegen niet veel.
Hier zouden anaconda's verscholen in het gras moeten liggen en dus stappen we wat rond. Ik veronderstel dat de manier om zo'n beest te vinden gebeurt door er op te stappen, want in het dichte gras is niet veel te zien. We hebben elk een stok maar die dient alleen om het evenwicht te bewaren wanneer we dieper dan verwacht wegzakken in de modder.
Na een half uurtje komen er nog een 3-tal toeristen met gids aangestrompeld. Deze gids gaat iets systematischer te werk en duwt en trekt het gras uiteen met zijn stok. Helaas, we vinden geen slang.
Het is warm. We lopen hier zonder enige beschutting voor de zon en lopen al snel rood aan en staan wat te kijken hoe de 2 gidsen tevergeefs blijven zoeken. Uiteindelijk geven we het op, het is veel te heet, en we lopen terug naar de boot.
De koude douche is heerlijk en in de hangmat rusten we nog wat tot het middagmaal. Daarna is het terug de auto in voor een lange rit naar Rurrenanbaque, waar de luchthaven is. Alles verloopt vlot en net voor zonsondergang landen we in een wolkenloos La Paz. De rit naar het hotel duurt dan weer langer door de vele files. Na 3 dagen propere lucht vallen de geuren in La Paz des te harder op. De hoogte zijn we precies al wat gewoon, want het gehijg blijft uit.

dinsdag 27 september 2016

Rivier

Om 7 uur vertrekken we opnieuw met de kano, dit keer stroomopwaarts. Deze keer komen we nog meer kaaimannen tegen. Soms zien we alleen de ogen boven water, soms glijden ze van de oever het water in om dan op een meter van onze boot kopje onder te gaan, meestal liggen ze aan de rand van het water naar ons te loeren. Door de lage waterstand in dit droge seizoen is de rivier maar een 5-tal meter breed en dus zien we alle dieren heel dichtbij.
Er liggen ook vele waterschildpadden te zonnen op takken om dan, wanneer we naderen, in het water te glijden waarna we alleen nog maar de kop zien boven steken, tot deze ook verdwijnt en enkel een spoor bubbels overblijft. Sommigen zitten wat hoger op de oever eieren te leggen in het zand. Op de terugweg zien we een Caracara hiervan smullen.
De roze rivierdolfijn is bij deze lage waterstand heel schuw, maar we zien er toch een paar even bovenkomen. In het regenseizoen, wanneer de rivier 3 tot 4 meter dieper is dan nu, kan er gezwommen worden met deze dieren.
Het duurt lang eer we vinden waar we naar op zoek zijn maar eindelijk zien we een paar brulapen in een hoge boom ver op de oever. Een moeder draagt een kleine op de buik, maar ze verdwijnen al snel uit het zicht.
Pas op de terugweg zien we de andere van 3 soorten apen die hier zitten: kleine yellow squirrel monkeys. Deze zijn wel heel nieuwsgierig en wanneer we de kano tegen de oever leggen komen ze tot op 1 meter afstand om ons te bekijken en wat te drinken uit de rivier. Nu wij er zijn komt er geen kaaiman in de buurt en zijn ze veilig.
Wanneer we 's middags wat uitrusten zien we in de bomen rond onze hut enkele capucijnapen van tak naar tak springen.
In de namiddag gaan we vissen op piranha's. We varen de rivier terug stroomafwaarts af, deze keer verder dan de eerste dag en maken de boot vast aan wat takken op een beschaduwd plekje. Dan krijgen we elk een stukje hout waar wat nylontouw rond gedraaid is en een haakje aan zit. In een potje liggen wat kleine stukjes vlees waarvan we er telkens 1 op het haakje prikken. Het ligt nog geen 5 seconden in het water of een wirwar van kleine visjes vreet het haakje kaal. Vleesje na vleesje prikken we op de haak maar we vangen niets. Eigenlijk zijn we gewoon piranha's aan het  voederen. Ons gids is er beter in en vangt al snel 2 grote exemplaren. De kleine tandjes zijn vlijmscherp en voorzichtig verwijdert hij de haak. De vis zal vanavond voor ons klaargemaakt worden.
Terwijl wij liggen aan te modderen zien we enkele meter verder twee dolfijnen die af toe komen lucht happen. Hun lange snuiten zijn mooi roze, de rugvin is grijs. De dolfijnen zwemmen ons rustig voorbij en wanneer we even later zelf ook vertrekken, komen we ze in een volgende bocht terug tegen. Onze gids neemt een bijna lege fles water en gooit die in de rivier. Het duurt even en dan zien we een van de dolfijnen de fles in zijn bek nemen en ermee onder water verdwijnen. De fles is weg. Enkele minuten zien we niets meer, behalve af en toe de rug van een dolfijn, maar dan plopt de fles terug boven water. We vissen ze eruit en gooien ze nog eens, en jawel, de dolfijnen willen spelen en pakken ze weer.
De zon is ondertussen aan het ondergaan en nadat we de fles hebben gerecupereerd varen we verder, terug naar huis. Bij aankomst krijgen we weer een sapje en geven we de vissen aan de kokkin. Er zit niet veel vlees maar ze zijn wel lekker. We gaan weer vroeg slapen.

maandag 26 september 2016

Pampas de Yacuma

Op dit vroege uur verloopt de rit naar de luchthaven zeer vlot. Na onze ervaring op Isla del Sol hebben we besloten alleen handbagage mee te nemen. De vlucht naar Rurrenabaque staat mooi aangekondigd, vertrek om 7u30, tot er plots iets wordt omgeroepen waarvan ik alleen 'mettalurgico' versta en dat er meer info om 8u komt. Het valt uiteindelijk nog mee en tegen kwart voor 8 gaat er iemand ons voor de tarmac op, tot aan een piepklein vliegtuig. Het is een Fairchild, 2 propellers en hij zit vol: 19 personen (op de achterbank zitten er 3 naast mekaar).
Met veel lawaai stijgen we op en maken snel hoogte om dan vlak over de besneeuwde toppen van de Andes te vliegen. Er zijn vandaag geen wolken op deze hoogte, maar eens erover zien we alleen nog maar een wolkentapijt. De vlucht duurt 45 minuten en is vooral een afdaling: van 6000m naar 200m op een half uur. Nog voor de deur opengaat voelen we de warme vochtige tropische lucht. Het is hier meer dan 30° en dat is alweer 3 weken geleden.
Een taxi brengt ons 10 minuten verder naar het kantoor van een reisbureau (Bala tours) waar een andere auto en onze gids ons opwachten. Dan is het een rit van 3 uren naar het noorden over een heel stoffige weg. De voorliggers maken soms zoveel stof dat het zicht volledig wegvalt en we even moeten stoppen tot het gaat liggen.
Uiteindelijk komen we aan de refugio Los Caracoles, waar we de komende 3 dagen verblijven. Het is een onder de palmbomen gelegen groepje houten hutjes met strooien dak, allemaal 1 meter boven de grond en met rondom grote met muggengaas beklede ramen. In de eetzaal, een groter model hut, krijgen we al direct eten. We hebben nog even tijd om te rusten in de hangmatten voor onze slaaphut en stappen om 15u in onze houten kano waarmee we de vlakbij gelegen rivier stroomafwaarts bevaren.

De bruine rivier kronkelt door de savanne en in de bomen en struiken op de oever zien we massa's vogels: reigers, aalscholvers, paradijsvogels, kingfishers en nog vele andere waarvan de naam niet onthouden wordt. Op de oevers en in het water zitten capibara's en kaaimannen, soms alleen, meestal in groepjes. Onder een struik vinden we een kraamkamer van wel 20 kleine kaaimannen en ook de capibara's hebben tot wel 8 baby's rondlopen.
Op het einde van de rit stappen we even aan wal om de zonsondergang te bekijken en maken we kennis met de andere bewoners, hetgeen we pas bij terugkomst beseffen wanneer we de vele muggenbeten onder hemd en broek tellen. De terugtocht is eerst in de schemering, vergezeld door vele grote vleermuizen die vlak over het water scheren, en daarna in het donker. De ogen van de kaaimannen lichten rood op in het licht van onze zaklampen.
Zwetend en begeleid door het geluid van veel nachtdieren kruipen we onder ons muskietennet voor een eerste nacht sinds 3 weken op een normale hoogte.

zondag 25 september 2016

Inca

Vanmorgen hangen er nog flink wat wolken, maar dat duurt niet lang. We vertrekken met al onze bagage, veel te veel dus, richting dorp om daar via de Inca-trap, een redelijk steil pad, af te dalen naar de baai waar de boten liggen. Halverwege komen we aan een bron waar uit 3 gaten water spuit. Volgens de gids komt dit van aan de overkant van het meer uit de gletsjers en wordt het onder het meer door geperst tot hier. Dankzij dit water is het hier groen en staan er enkele bomen, de grootste zijn eucalyptusbomen, ooit meegebracht uit Australië. Vanaf hier zijn het nog een 200-tal treden tot aan het water.
Isla del Sol zou de geboorteplaats van de Inca,s zijn. De twee stichters Manco Capac en Mama Ocllo zouden  naar hier gevlucht zijn toen het Tiwanaku-rijk ten onder ging door een grote droogte, waardoor het Titicacameer 40 meter lager kwam te liggen. In het noorden van het eiland zouden, volgens de Inca's, de zon en de maan geboren zijn. Omdat het meer veel lager was wordt zelfs gedacht dat Atlantis hier ligt. In ieder geval is Cousteau hier nog op zoek gegaan naar ondertussen onder het water liggende tempels en paleizen, zonder succes evenwel. Dankzij het bewakingswerk van zeemeerminnen is de stad nog altijd niet gevonden.
Wij nemen de boot naar het noorden en stappen vervolgens via een niet al te steil pad nog verder noordwaarts, tot een belangrijke rots waar zowel een poema (Titi = poema, Caca = grijs) als het hoofd van Viracocha zouden te zien zijn. In de Incatijd was deze rots volledig bedekt met goud en zilver maar nu is er heel veel verbeelding nodig om er iets figuratief in te zien. Viracocha was trouwens een soort god, met baard en snor , wat geen Indiaanse kenmerken zijn. Het is een van de redenen waarom de spanjaarden dit volk zo gemakkelijk konden onderwerpen, want zij hadden wel haargroei op het gezicht waardoor de Inca's dachten dat hun god was teruggekeerd.
Enkele meters voorbij de rots liggen de ruïnes van een tempel, het labyrinth (La Chincana). Het is een wirwar van kamertjes en gangen waarvan nu alleen de muren nog rechtstaan.


We blijven niet lang want we moeten de boot van 13u30 halen, die ons terugbrengt naar het zuiden, waar we eten en op de boot terug naar Copacabana wachten. Terwijl we wachten zien we de een na de andere boot aankomen met plaatselijke bevolking die voorraad zijn gaan inslaan op het vasteland. Langs de andere kant komen anderen aan met ezels die als transportmiddel zullen gebruikt worden. Het is een kleurrijk spektakel, vooral omdat het zondag is en iedereen op zijn best gekleed is.
De busrit naar La Paz is ook een beleving. In het donker, iedereen toeterend voorbijstekend, doorreen geschud op de vele omleggingen omdat aan de weg gewerkt wordt, bereiken we tegen 23u het busstation. Onderweg, in El Alto zien we apocalyptische taferelen: mensen die tussen de graafmachines aan een eetkraampje staan, wolkjes damp uitblazend van de kou, een troep van wel 20 honden die even verder in het ronde schijnsel van een straatlantaarn rond een berg opengescheurd vuilnis staan te eten, mensen die haastig hun weg naar huis zoeken en daarbij het verkeer moeten zien te ontwijken want auto's stoppen hier niet voor voetgangers, bussen niet voor auto's.
Gelukkig is er vervoer naar ons hotel geregeld en kunnen we snel in bed kruipen want morgen moeten we er al om 5u uit om onze vlucht naar de Amazone te halen.

zaterdag 24 september 2016

Isla del Sol

Na een frisse nachtrust staan we op tijd op om te ontbijten want om 8u worden we opgepikt aan het hotel voor een 2-daagse naar Isla del Sol, een eiland op iets minder dan 2 uren varen van  Copacabana. Onze gids komt echter niet opdagen en dus laten we de receptionist naar het reisbureau bellen. 'Foutje, op de voucher staat 8u maar dat moet 11u30 zijn en dan krijgen we eerst een kleine tour in de stad en vertrekken om 13u30 naar het eiland'. Dit klopt niet. Ik kijk op de website van Kaleidoscope, ons reisbureau, en daar staat een dagtour naar het eiland met terugkomst dezelfde avond, met deze beschrijving. Dit is niet wat we besteld en betaald hebben en dus laat ik de receptionist terugbellen. (Awoe voor Proximus trouwens, want zelf blijk ik niet te kunnen bellen, de klantendienst is onbereikbaar - druk 1 voor dit, druk 2 voor dat, maar dat werkt niet - en volgens hun website antwoorden ze binnen de 10 dagen op mails). Kaleidoscope geeft nu toe dat ze fout waren en stellen voor om vandaag toch pas om 13u30 te varen en er dan morgen een volledige dag van te maken. Als gevolg zullen we wel pas om 23u terug in La Paz zijn.
Om 11u30 is onze gids er, ze spreekt perfect Engels, en we wandelen nog even naar de basiliek en de markt waar ze nog interessante dingen weet te vertellen. Nu weten we eindelijk wat al die vreemde eetwaren zijn die ze hier op straat verkopen. We lunchen aan het strand en stappen dan op onze privé-boot, die iets eerder vertrekt en ook sneller vaart - geregeld dankzij het plaatselijke reisbureau. In tegenstelling tot de normale boot, zet deze onze ook op een andere plaats af waardoor de klim naar het hotel iets eenvoudiger is. Gelukkig maar, want we hebben een veel te zware zak bij. Dit had ook duidelijker op voorhand mogen gezegd zijn.
Het hotel is heel basic en heeft maar 3 kamers, 3 kleine huisjes in feite, en een grote eetzaal met zicht op het meer.
zicht vanuit hotel
Rond half vijf vertrekken we voor een korte wandeling, door het dorp - het grootste van het eiland - dat een aaneenschakeling van restaurants en hostals is, naar een uitkijkpunt vanwaar het hele eiland te zien is. Er zijn te veel wolken om te wachten op de zonsondergang, maar we zien in de verte wel de besneeuwde bergtoppen van de Andes, die de grens met het Amazonegebied afbakenen, tussen de wolken verschijnen. Die wolken zij  er altijd omdat de vochtige warme Amazonelucht hier opstijgt en condenseert.
We wandelen terug, eten in het hotel en gaan dan weer vroeg slapen. Het is koud en de dekens wegens loodzwaar. Na een paar uren breekt er een onweer los en horen we de hagel tegen de ramen slaan.


vrijdag 23 september 2016

Copacabana

Een lange busrit van 4 uren, hobbelig door de vele wegenwerken en omleidingen, brengt ons naar het Titicacameer. Na drie uren rijden moeten we overstappen in een klein bootje terwijl de bus op een grote platte schuit rijdt om een korte oversteek naar een schiereiland te maken. De helft van dit eiland ligt in Peru en om geen grensovergang te maken kunnen we niet via land. We rijden wat de hoogte in met het meer aan beide zijden. Dan doorkruisen we het eiland en komen aan in Copacabana, een badplaats aan het meer.
Ons hotel ligt aan de zijkant van de stad, halverwege een heuveltje en vanuit onze slaapkamer hebben we een prachtig zicht.


Copacabana is niet zo groot maar heeft een naar verhouding grote basiliek,  helemaal in het wit met koepels van gekleurde tegeltjes. Erbinnen bevindt zich het beeld van de Virgen de Copacabana, een alom vereerd en bewierookt beeld dat nooit van zijn plaats mag komen teneinde geen onheil over de stad af te roepen. Een replica wordt wel regelmatig rondgezeuld door de straten. Het beroemde strand in Rio is trouwens naar deze heilige genoemd.
Voor de basiliek staan een aantal auto's versierd met bloemen en slingers te wachten op de zegening door de priester. In bruine monikkenpij besprenkelt hij een voor een de wagens, de motor (motorkap staat open) en het interieur, evenals de eigenaars die erbij staan en zelfs poseren voor een foto. Daarna wordt wat vuurwerk afgestoken en vloeit er rijkelijk bier, ook over de auto. Trots laten de gelukkigen de foto's, die ter plaatse worden afgedrukt, aan mekaar zien.
We lopen naar het strand dat bezaaid ligt met pedalo's in verschillende vormen: zwanen, eenden en kajaks. In het water liggen kleine bootjes. Op de dijk staan verschillende kraampjes waar forel kan gegeten worden. Wat verder is het ene terrasje naast het andere waar gedronken en gegeten wordt in een lekker warm zonnetje.
Tegen de avond lopen we terug naar ons hotel en zetten ons nog wat in de tuin (in hangmatten) waar deze twee huisdieren rondlopen:

De zon is nog niet onder maar het wordt snel te fris om nog buiten te blijven. Vanavond eten we in het restaurant boven onze kamer, met zicht op de baai.

donderdag 22 september 2016

Tiwanaku

Vandaag staat een trip naar Tiwanaku op het programma, een oude site waar overblijfselen van piramides en tempels van de Tiwanaku - voorlopers van de Inca's - te vinden zijn. De Tiwanaku hadden van 1000 voor tot 1300 na Christus een rijk dat het zuiden van Peru, Bolivia, noord-Chili en noord-Argentinie omvatte. Er is spijtig genoeg niet veel van overgebleven. Het huidige Tiwanaku, een dorpje naast de site is bijna volledig met stenen van de oude beschaving opgebouwd.
Het museum en de site van Tiwanaku liggen op 75km van La Paz, maar door het drukke verkeer doet onze bus er dubbel zo lang als gepland over waardoor we niet meer genoeg tijd hebben om alles rustig te bekijken.
In het museum is nog een grote monoliet te zien die echter jarenlang in het centrum van La Paz heeft gestaan waardoor hij erg verweerd is. Sinds een paar jaren staat hij beschermd in het museum en nu mogen er zelfs geen foto's van worden genomen. Andere beelden op de site zijn nog maar een paar jaren 'beschermd' door een touw op een halve meter afstand en zijn voordien bekrast met grafitti.
De site is door Unesco beschermd maar is toch wel een tegenvaller.

Op de terugweg laten we ons in El Alto afzetten om de Teleferico te nemen. Sinds een paar jaren zijn er kabelliften gebouwd om de hoogtes in La Paz gemakkelijk te overbruggen en het verkeer te verminderen. Momenteel zijn 3 lijnen klaar, maar er zijn plannen voor in totaal 9 lijnen. Voor 3 bolivianos (50 eurocent) maak je een spectaculaire rit over de daken van de stad in een gondel van 8 personen. Een mooie verwezenlijking van Evo Morales.
's Avonds gaan we in de buurt van het hotel eten in een restaurant dzt door een hollander en zijn boliviaanse vrouw wordt uitgebaat. Het wordt een van de beste maaltijden op deze reis. Een aanrader: Luciernagas.

woensdag 21 september 2016

La Paz

Vandaag staat er niets op het programma en dus wandelen we naar het centrum. Ons hotel ligt op 10 minuten (bergop) van de kathedraal. Er is veel verkeer maar toch lijkt er veel minder smog te zijn dan in Sucre of Potosi. Dat we de hoogte ondertussen gewend zijn zal ook wel meespelen.
Aan het plein, naast de kathedraal, liggen verschillende politieke gebouwen: de senaat en het presidentieel paleis waar Evo Morales dagelijks zou te vinden zijn. Beiden zijn niet toegankelijk voor publiek en worden driedubbel bewaakt: de originele 'zwitserse' wacht in rood uniform en met antiek geweer en sabel, daarnaast militaire politie met wat modernere wapens en er lopen ook agenten in burger rond - zonnebril en oortje inbegrepen.
De kathedraal is nogal kaal vanbinnen maar oogt wel imposant. Verder loopt de weg terug wat naar beneden en via een wandelstraat vol kraampjes komen we aan een drukke vierbaansweg die midden door de stad loopt. Onder deze weg loopt een rivier die vroeger de stad in twee splitste. Het deel waar we nu naar oversteken was traditioneel voor de indigenios, vooral Aymara (naast Quecha de grootste groep indianen in Bolivia). Nu is dit het toeristische hart van de stad. Twee kruisende wegen zijn een opeenvolging van reisbureau's, straatverkopers, textiel- en souvenirwinkels en, een beetje hogerop, de heksenmarkt waar allerlei magische en alternatieve middeltjes worden verkocht (waaronder ook weer de lama-foetussen).
La Paz ligt in een dal, althans daar is de stad begonnen, en strekt zich uit over de omliggende bergflanken die op sommige plaatsen heel steil zijn. Het centrum is echter nogal klein en op een half uur loop je van de ene naar de andere  kant van de centrum-kaart, zij het wel altijd bergop of -af.
In de namiddag bezoeken we het San-Francisco museum, gelegen naast de gelijknamige kerk. Dit is een oud franciscanenklooster dat momenteel nog altjd bewoond is (alhoewel de verplichte gids op de 3 jaar dat ze er werkt er nog maar 1 gezien heeft). We beklimmen de klokkentoren voor een zicht op de stad en de omliggende daken.
Later op de namiddag breekt er een onweer los - onze eerste echte regen in Bolivia - en dus duiken we een mexicaanse bar-restaurant binnen, gerund door een Belgische ex-voetballer aan de foto's en bieren te zien. Het onweer duurt niet lang en de zon komt er al terug door. We wandelen nog wat door de winkelstraten, kopen een muts en gaan iets eten.
Nadien lopen we in het duister en de kou terug naar ons hotel waar we de jacuzzi willen proberen, maar wanneer hij is volgelopen merken we dat er zich aan de zijkant een plas water vormt. Het ding is lek en dus laten we het water er snel uitlopen en houden we het bij een douche.

dinsdag 20 september 2016

Witter

We rijden vanmorgen terug de zoutvlakte in, naar een ander eiland, Isla Incahuasi. Dit is helemaal bezaaid met grote cactussen, tot wel 6 meter hoog (en aangezien een cactus ongeveer 1cm per jaar groeit, kan je de leeftijd wel berekenen). Een uur erheen, een uur terug en alleen maar een witte vlakte die zonder zonnebril niet te bekijken valt.

We stoppen om wat speciale foto’s te maken. Door het felle licht valt het perspectief weg en dit geeft speciale effecten op de foto, voor zover ze gelukt zijn.

We passeren nog langs een ander zouthotel dat ondertussen een museum is geworden waar niet veel te zien is. Vlakbij staat een zouten monument ter ere van de Parijs-Dakar passage (editie Zuid-Amerika) van enkele jaren terug. Dit jaar komen ze hier opnieuw voorbij. Wat verder stoppen we aan de Ojos de Sal, gaten in het zout waar water omhoog borrelt door de druk die de zouten plaat uitoefent op het onderliggende meer.

Het is iets na de middag wanneer we in Uyuni aankomen, een stadje dat voornamelijk uit reisbureaus bestaat, waar we nog tot 18u moeten wachten tot we naar de luchthaven worden gebracht voor onze vlucht naar La Paz. Het weer begint hier te veranderen – donkere wolken, wind, enkele druppels regen. 

Onze vlucht heeft 10 minuten vertraging en rond 21u15 landen we in El Alto, een voorstad van La Paz, die op 4150 ligt. Onze taxi staat ons op te wachten en brengt ons op een halve uurtje via 1 lange afdaling tot 3650 meter naar ons hotel. En hier toch weer een verrassing: we krijgen een suite op de 6de en hoogste verdieping. Niet dat dit zoveel voorstelt - de kamer is kleiner dan die in Sucre bijvoorbeeld - maar er is verwarming en er staat een jacuzzi naast het bed.

maandag 19 september 2016

Wit

We beginnen de dag met een lange afdaling door de Pampa Silosi (een hoogvlakte woestijn van lava-grind) tot we stilaan terug begroeiing en leven tegenkomen. Nog voor de middag passeren we 4 laguna’s, met telkens wisselende hoeveelheden flamingo’s.

Tussen vreemde rotsen, waarop een laagje gesmolten steen lijkt te liggen, en met zicht op de nog actieve vulkaan Ollague (5869m) eten we ons middagmaal: kleine hamburgers met rijst en wat groenten, door Esperanza ter plekke klaargemaakt. De vulkaan stoot een constante pluim rook uit, maar omdat er wolken rondhangen is hier niet zoveel van te zien.

Vervolgens rijden we dwars door een kleine zoutvlakte, waar middendoor de spoorlijn van Uyuni naar Chili loopt. Deze wordt vooral gebruikt om mineralen van Bolivia naar Chili te exporteren. We zien een locomotief uit en een volle trein naar Chili rijden.

Dan rijden we door een groot koraalveld: een vlakte bezaaid met versteende koralen en nog wat verder bezoeken we een kleine grot waarbinnen een zeer bizarre versteende onderwaterwereld te zien is. Lang, heel lang geleden, zijn op deze plaats 2 tektonische platen gebotst en hebben daarbij de Andes gevormd. Dit gebied en deze grot lagen toen nog onder water, maar bevinden zich nu op 3700m hoogte.

Het is al laat in de namiddag wanneer we aan de Salar de Uyuni (of Salar de Tunupa, naar de nabijgelegen vulkaan genoemd) komen en we beginnen aan een uren durende oversteek van zuid naar noord. In dit westelijke deel van de zoutvlakte liggen een aantal eilanden. Het eerste dat we bezoeken, een rots van 50m hoogte, is volgens Carlos uniek omdat errond het zout in plakken is omhooggekomen, waardoor dit op een zee van bevroren golven lijkt. In de openstaande spleten vinden we zoutkristallen. Een volgende eiland is veel groter (1km op 3km), maar hier rijden we gewoon omheen, verder naar het noorden waar, aan de rand van de vlakte en aan de voet van de vulkaan ons hotel ligt.

Midden in de vlakte stoppen we en wachten een uur op de zonsondergang, die een beetje verpest wordt door een grote donkere wolk. In de schemering rijden we verder naar ons hotel maar wanneer we er aankomen blijkt dat er niets gereserveerd is. We moeten in een ander hotel zijn, helemaal aan de andere kant van de zoutvlakte en bijgevolg rijden we een uur lang (80km) door niets, richting oosten. Het enige licht komt van de koplampen van de jeep. Links, rechts, nergens is iets te zien. Een hypnotiserend uur lang het eentonige gezoem van de autobanden over de vlakke zouten weg, tot we uiteindelijk wat lichtjes zien verschijnen.

Ons hotel is het Palacio de Sal, het eerste hotel ter wereld gebouwd met zout en het is werkelijk een paleis. Alles - muren, vloeren, bedden - is van zout gemaakt. Het plafond boven onze bedden is een koepel van opgestapelde zoutblokken. De douche is warm, er is elektriciteit, in het restaurant worden we bediend door pinguins. Dit is een onverwachte luxe op deze 4-daagse tocht.

Oorspronkelijk was het plan om rond 5u te vertrekken om de zonsopgang te zien, maar omdat er wolken hangen zien we hier van af en houden we het op 8u.


zondag 18 september 2016

Hoger

Alhoewel er twee bedden in de slaapkamer staan, kruipen we toch samen in een te smal bed om het vannacht niet te koud te krijgen (volgens de brochure zakt de temperatuur hier tot -20°C). Het bed is te smal, de dekens te zwaar,  de wekker te vroeg. Onder een volle maan vertrekken we op het afgesproken uur en bereiken onze eerste stop in het schemerduister, hetgeen wel bijdraagt aan de sfeer: het is namelijk een verlaten mijndorp dat nog tijdens de Spaanse kolonisatie in gebruik is genomen en snel daarna verlaten werd. Normaal moet er inkom betaald worden maar op dit vroege uur kunnen we zo doorrijden.

We rijden verder naar het zuiden richting Nationaal park Eduardo Avaroa.  De ganse dag zullen we op grote hoogte blijven. Het ontbijt eten we naast de jeep op een hoogte van 4500m met op de verre achtergrond het Andesgebergte dat de scheiding met Chili vormt.

In het park rijden we voorbij verschillende laguna’s. Dit zijn kleine tot grote meertjes die door verschillende mineralen gekleurd zijn. Op het meest zuidelijke punt, aan de voet van een vulkaan (pal op de grens met Chili)  ligt het giftige Laguna Verde, mooi groen gekleurd door onder andere arsenicum. Ernaast ligt Laguna Blanca (ook groenachtig maar niet giftig: hier leven wel dieren in, op en rond). In vrijwel alle laguna’s die we passeren zitten flamingo’s, maar in de laatste en mooiste, Laguna Colorada, zien we de meeste.


Vrijwel heel de dag rijden we door woestijn: soms begroeid met wat geel-groen gras zoals de vorige dag, soms wit-geel zand met hier en daar wat rots-torens (de Dali-woestijn), soms kilometers lang fijn steengruis waar we een van de vele parallel lopende bandensporen volgen.

Op het hoogste punt van de reis wandelen we even tussen geisers en borrelende modderpoelen. We zitten hier op 4960m. en moeten gelukkig niet al te veel inspanning doen. Het in- en uitstappen veroorzaakt al genoeg gehijg.


We eindigen vandaag in Hotel Del Desierto, een midden in de woestijn gelegen gebouw waar enkel zonne- en windenergie is (tot 10u ’s avonds), maar met een knappe eetruimte met grote glazen wand waarachter we de woestijn en de verder gelegen bergen zien. Het hotel ligt op 4650m hoogte en dat merken we. Nog maar simpelweg afdrogen na de douche moet een paar keer onderbroken worden om terug op adem te komen.

In de tegenstelling tot het vorige hotel waar we de enige gasten waren, lijkt dit hotel vol te zitten en er is dan ook overal verwarming. Het wordt nog eens een nacht zonder bibberen.

zaterdag 17 september 2016

Hoog

Stipt op tijd staat onze jeep ons op te wachten voor het hotel in Tupiza en maken we kennis met Carlos en Esperanza: het echtpaar (chauffeur – kokkin) dat ons de komende 4 dagen gaat verzorgen.
Net buiten Tupiza zijn er al prachtige rotsformaties te zien (genaamd Palala) en dit gaat zo de rest van de dag door. We rijden al snel terug op grote hoogte en van berg naar berg, van dal naar dal, van droge rivierbedding naar natte rivierbedding, rijden we door een indrukwekkend landschap van rood-geel-bruin gekleurde bergen, enkel begroeid met wat toefjes geel-groen gras. Het landschap is onbeschrijfelijk mooi (voila, daar ben ik ook weer vanaf).

Hier en daar lopen groepjes lama’s (de krullige gedomesticeerde versie in verschillende kleuren en met een rood flosjke aan hun oren) en vicuña’s (de sierlijke en schuwe wilde versie). Een enkele keer moet we aan de kant om een groep lama’s, gevolgd door 2 hoedsters, door te laten.

We rijden een stukje met de jeep door een bijna-droge rivierbedding, wit van het zout dat is overgebleven na verdamping van het water, tussen grillige, door erosie gevormde rotspartijen.

Palala, Sillar, Awanapampa, Viluyo, Palacio Quemado en San Pablo de Lipez zijn de plaatsen die we aandoen. In Nuevo Horizontes, een klein dorpje dat bijna uitgestorven lijkt, pauzeren we om te picknicken. Esperanza spreidt een dekentje en serveert ons kip met rijst en groentjes. Onze eerste overnachting is in San Pablo de Lipez, waar we al vrij vroeg aankomen. Omdat we morgen op tijd aan Laguna Colorada willen zijn (op tijd = voor de meerderheid van de andere jeeps), gaan we in op het voorstel van Carlos om morgenvroeg al om 4u30 te vertrekken.

In het hotel, warmpjes achter een raam, met op de achtergrond de bergen en dichterbij groepjes vicuña’s die de smalle rivier oversteken, wachten we op het avondeten. We zitten hier op 4260m en het belooft ijskoud te worden vannacht.


vrijdag 16 september 2016

Pauze

Na ons mijnavontuur hebben we een goeie douche genomen, want dat was nodig. En gelukkig maar want toen we 's avonds na het eten terug op de kamer kwamen was er geen water meer en dat heeft tot deze morgen geduurd. Een kattenwasje dus. En, een beetje gênant, een volle wc-pot achtergelaten.

Gisterennamiddag hebben we de kathedraal van Potosi bezocht. De ingang was aan de achterkant en moest betaald worden. Voor dat geld kregen we wel begeleiding van een jonge, goedlachse Boliviaanse studente Toerisme, die wel geen Engels kon. Speciaal voor ons werd de achterpoort ontsloten en als enige bezoekers kregen we een rondleiding in de op een verjaardagstaart lijkende kerk. Alles was nogal pastelblauw met rode accenten beschilderd. Een van de lelijkste kerken, laat staan kathedralen, die we ooit gezien hebben. Op dat vlak zijn we in Europa wel verwend. De kerk wordt is allen op zondag open voor publiek, tijdens de mis. De rest van tijd is alles toe.
Het hoogtepunt van de rondleiding was dan ook de klim naar de klokkentoren vanwaar we een mooi zicht op de stad en de berg hadden.
Nadien zijn we nog even op het centrale plein gaan zitten waar de jeugd - de scholen waren net gedaan - aan het rondparaderen was: groepjes giechelende meisjes die alleen oog hadden voor de jongens, groepjes stoerdoende jongens die alleen oog hadden voor hun Pokemon Go. Geen verschil met thuis dus.

Momenteel hebben we er een er 6 uur durende busrit naar het zuiden op zitten. We zitten nu in Tupiza, op 100km van de Argentijnse grens en 1000 meter lager dan vanmorgen. Het is hier warm en rustig en we kunnen terug ademen. Efkens tijd om te bekomen.
In het hotel waar we slapen is tevens de touroperator waar we de komende 4 dagen mee weg zijn. De korte voorstelling van wat ons te wachten staat klinkt veelbelovend en vermoeiend. Zo moeten we de 2de dag, overmorgen dus, al om 5u vertrekken. De laatste dag kunnen we, optioneel, de zonsopgang boven de zoutvlakte meemaken: opnieuw om 5u opstaan dus..

Ons programma vindt je hier: http://www.latorretours-tupiza.com/option1-tupiza-uyuni-4days.html

De laatste dag eindigen we in Uyuni en nog diezelfde avond nemen we een vlucht naar La Paz. Tot dan gaan we geen WiFi hebben en dus zal er volgende week woensdag veel te lezen zijn!



donderdag 15 september 2016

Duivel

Vandaag hebben we de duivel bezocht en maar net overleefd (of zo voelt het toch).
Met een minibusje rijden we naar de rand van de stad, samen met nog 6 andere toeristen en 3 ex-mijnwerkers, waar we in 'the warehouse' onze uitrusting krijgen: rubberen laarzen, een broek met vest en een helm met licht.
Daarna rijden we naar een winkeltje waar gerief voor de mijnwerkers wordt verkocht, gaande van helmen, houwelen, schuppen tot flessen water en frisdrank en dynamiet staven. Het is de bedoeling dat we hier geschenken voor de mijnwerkers kopen. Een set dynamiet - 1 staaf, een mengeling om de knal te versterken en een ontsteker - kost 25 bolivianos, een fles van 2 liter fanta kost 7 bolivianos (= 1 euro). We kopen van elk 2 stuks, maar ons gids ruilt 1 set dynamiet om voor 3 flessen frisdrank en 1 fles water. Achteraf gezien hadden we beter meer frisdrank gekocht want die zullen zeer gegeerd blijken. Om het hoekje worden cocabladeren verkocht, waarvan we ook 2 zakjes kopen (voor 10 bolivianos).
Dan rijden we naar een fabriekje waar het erts wordt verwerkt maar dat momenteel buiten bedrijf is. Door de instorting van de wereldprijzen voor zilver, tin en andere mineralen werken er momenteel nog maar 30.000 mijnwerkers in de berg, in plaats van 50.000, en daarom draaien niet alle fabrieken. We krijgen er uitleg over het proces, waarbij veel schadelijke chemicaliën worden gebruikt en krijgen een portie cocabladeren om te proberen. De mijnwerkers eten hier massa's van: het helpt hen door de dag, geeft kracht en werklust, en het is het enige wat ze eten tijdens het werk. In de mijn is er te veel stof om te eten en ze krijgen dit al genoeg in de longen en dus wordt de maag ontzien.
Dan rijden we de berg omhoog tot 4400 meter, naar een van de mijnconcessies. Het eerste wat opvalt zijn de mijnkarretjes, dezelfde die je ook in de Indiana Jones film te zien krijgt. Erachter, net aan de rand van de berg loopt een smal spoor waar af en toe een gevuld karretje wordt gelost: de inhoud stort een tiental meter dieper waar vrachtwagens klaarstaan om het naar beneden te voeren. Elk karretje wordt door 2 tot 3 personen bedient: 2 om te duwen, 1 om te trekken. Vol wegen ze 2000kg, leeg 400kg. Onze gids deelt al onmiddellijk enkele flessen frisdrank uit, die dankbaar worden aanvaardt en direct leeggedronken.
We volgen het smalle spoor door een bocht en zien dat het 50m verder in een zwart gat in de berg verdwijnt. Wij volgen.
En dan begint de hel. De gang is net breed genoeg voor een karretje, ongeveer een meter en de hoogte varieert tussen 1 meter en op korte stukjes 2 meter. Hier en daar is de gang breder en daar moeten we gebruik van maken telkens een karretje voorbij komt gedonderd. De volle karretjes hebben voorrang maar er is maar 1 spoor en dus worden de lege karretjes telkens van het spoor gelicht en gekanteld. Soms gebeurt dat net op de plaats waar wij gehurkt zitten te wachten en dan moeten we snel genoeg achteruit springen. Wanneer het spoor terug vrij is haasten we ons verder, gebukt lopend, de weg enkel verlicht door onze eigen lampen. Wanneer we voor of achter ons lichtbundels zien verschijnen moeten we maken dat we op een plaats zijn waar we kunnen uitwijken en komen de loodzware karretjes piepend en krakend voorbij gestormd. Soms gaat het wat bergaf en komt eerst een mijnwerker aangelopen, op de hielen gevolgd door een volle kar waar 2 anderen achter aanhangen en hun voeten als rem gebruiken. Soms worden de lege karren niet ver genoeg opzij geworpen en knallen ze op mekaar. De volle wordt dan enkele meters terug getrokken om opnieuw vaart te kunnen maken. En zo lopen we, gebukt, stof inademend, hijgend en met een hartslag in overdrive wel 300 meter recht de berg in.
Gelukkig slaan we een zijspoor in waar de karretjes op dit moment niet meer komen. Hier kunnen we even uithijgen. We lopen gebukt verder en de lucht wordt vies. De hel ruikt niet naar zwavel maar gezond is het niet. Deze gang wordt niet door de cooperativas gebruikt maar door individuele mijnwerkers die nog alles met de hand doen: kruiwagen of draagzak, hamer en beitel om de gaten te hakken waar het dynamiet in past en veel cocabladeren. Telkens een ader wordt gevonden moeten ze beslissen om deze naar beneden of naar boven te volgen, meestal gaan ze in beide richtingen. We zijn hier op zo een punt aangekomen en en de gids vraagt welke richting we willen volgen. We kiezen voor beneden, maar omdat we eerst over een gat van 3 meter diep en even lang moeten en enkel de rails hebben om over te lopen besluit Veerle om hier te blijven wachten. Een wijze beslissing blijkt achteraf want hier begint de 2de laag van de hel. Ons groepje bestond aanvankelijk uit 4 toeristen en 2 ex-mijnwerkers. Na 50 meter heeft de vrouw van het andere koppel al rechtsomkeer gemaakt wegens te claustrofobisch. We dalen dus nog maar met zijn drieën een houten ladder af, een 5-tal meter naar beneden. Slechts 10 meter verder zit een mijnwerker op de grond, zich vol te proppen met cocabladeren en te wachten tot het stof en de giftige dampen van het dynamiet, dat hij 5 minuten eerder heeft doen ontploffen, zijn weg getrokken. Hij is 23 jaar en doet dit werk al sinds zijn 15de, in navolging van zijn vader en grootvader.
We keren om, passeren de ladder en gaan dieper de mijn in. De tunnel wordt eerst smaller, ik moet er dwars door en gaat dan wat omhoog en dan verdwijnt onze gids in een gat van nog geen 40cm hoogte. Eerst op de knieën over steenblokken en dan op de buik door het zwarte steengruis volgen we hem. Na 5 meter komen we in een grotere ruimte van toch wel 10 meter hoog. We klauteren een stukje omlaag waar onze gids de pas gemaakte gaten laat zien waar het dynamiet in gaat, links en rechts van een ader. Een staaf dynamiet is ongeveer 25cm lang maar wordt in 3 stukken gesneden. Dit gaat als eerste, samen met een ontsteker en een lont van 5 minuten, het gat in. Daarna volgt een staaf met chemicaliën die de explosie versterken en dan een staaf steengruis om het gat te dichten. Terwijl 1 mijnwerker hiermee bezig, klimmen we 3 meter hoger naar een andere die met een hamer blokken erts aan het verbrijzelen is om zo de goede van de minder goede stukken te scheiden. We doen een kort praatje met hem tot wordt geroepen dat het tijd is. We haasten ons terug, naar beneden, naar boven, door de smalle gang en terug op de ladder. Buiten adem komen we boven, waar Veerle zit te wachten en lopen nog een 20-tal meter verder tot er vanalles geroepen wordt en de gids ons aanmaant om op de hurken te gaan zitten. BROM!!, BROM!, met een doffe knal ontploffen de eerste twee dynamietstaven. De volgende drie zijn al wat luider. BROOOM!!!. Dat was alles, volgens onze gids en dus gaan we verder, terug richting uitgang.
Ik ben kapot en wil hier weg. Geen lucht, geen plaats om rechtop te lopen, zwarte handen en gezicht van het klauteren, zwetend! En het verschrikkelijke stuk waar we bijna moeten lopen en telkens opzij moeten springen voor de karretjes moet nog komen.
Halverwege dit stuk slaan we even een zijgang in waar we El Tío (de nonkel), een naamafleiding van Dio (god) die de Spanjaarden hier geïntroduceerd hebben. In de verhalen over god en duivel, hemel en hel, wisten de indianen direct hoe de hel eruit zag: binnen in deze berg. El Tío is een beeldje dat door de mijnwerkers wordt aanbeden en waar ze, door hem een sigaret te geven en wat pure alcohol te plengen, om voorspoed, geluk en gezondheid vragen.
Op het einde van de tunnel schijnt een licht. Wanneer we buiten komen in het zonlicht halen we opgelucht adem. Wat was dit!?! Geëmotioneerd lopen we terug naar het busje dat ons naar beneden brengt. Iedereen is stil en zwaar onder de indruk. Net voor het busje zie ik een jong hondje, de bovenste helft donkerbruin, de onderste lichtbruin door het stof. Een lief hondje. Braaf hondje. Dit blijf ik herhalen tot we terug in de stad zijn om mijn  gedachten weg te houden van de hel die 30.000 tot 50.000 jonge kerels elke dag moeten doorstaan tot ze...
'Hoe lang ben je van plan om dit werk nog te doen', vroegen we aan Jaime, die op het diepste punt zijn erts zat te sorteren. De gids aarzelde wat om het te vertalen. 'A la muerte' hoorde ik hem schouderophalend fluisteren.

woensdag 14 september 2016

Zilver

De taxi staat ons mooi op tijd op te wachten voor het hotel en we verlaten Sucre richting zuiden. Het eerste uur dalen we 500m door een bekend landschap en klimmen dan op een kwartier van 2300m naar 3300m. Onderweg kruisen we verschillende rivieren, van 20m tot 50m breed, die allemaal kurkdroog staan. Eens boven komen we op de altiplano, een grote dorre vlakte, met hier en daar een huis of boerderij. In de zomer, het natte seizoen, moet dit een vruchtbaar gebied zijn maar nu is het een lappendeken van braakliggende akkers in verschillende gradaties geel en bruin. Hier en daar staan groepjes schapen de dorre stoppels en het gele gras af te grazen. We hebben nog altijd geen lama gezien.
Langzaamaan stijgen we tot we, op 2,5 uren van Sucre en op 4060 meter hoogte, de hoogste stad ter wereld bereiken: Potosi.
Het gebrek aan zuurstof op deze hoogte in combinatie met het vele verkeer dat soms zwarte, soms witte walmen uitblaast, laat zich voelen. De vele busjes, die overal stoppen om passagiers te laten op- of afstappen produceren een verschrikkelijke stank, die in de smalle straatjes blijft hangen.
In een van de vele reisbureautjes boeken we een uitstap naar de Cerro Rico, de 4700m hoge berg die de stad domineert en waar de voorbije 500 jaar voor miljarden zilver uit gehaald is. Deze berg vormde de basis van de Spaanse overheersing tijdens de koloniale periode. Er wordt gezegd dat met het zilver dat hier is uitgehaald een brug tussen beide continenten kan gebouwd worden (en een even lange met het gebeente van de miljoenen indianen die gestorven zijn bij het delven ervan).
In de namiddag bezoeken we de Casa de la Moneda, het gebouw waar vroeger het zilver werd gesmolten, gegoten en in munten geslagen. Nu ja gebouw, het is een volledige blok omgeven met metersdikke muren met daarin 5 grote pleinen en de gebouwen waar de originele machinerie nog steeds te zien is: de smelterij met nog steeds zwart geblakerde muren, drie uit Spanje ingevoerde en 2 verdiepen hoge, door ezels aangedreven houten constructies om zilverstaven te pletten tot de dikte van een munt, zelfs de originele vloeren en daken gemaakt van het hout van de Spaanse galeien liggen er nog. Een zeer mooie en aan te raden rondleiding van 2 uren.

dinsdag 13 september 2016

Wist-je-datjes


  • Wist je dat sommige taxi's - minibusjes - zo een grote sticker op hun voorruit hebben plakken dat die voor 1/3de ondoorzichtbaar wordt? Als gemiddelde Europeaan zit je bijgevolg enkele uren lang naar een stukje straat te kijken van niet meer dan 10 meter voor de auto tenzij je je dubbel plooit om toch iets meer van de omgeving te zien. De chauffeur zelf zat trouwens ook voorovergebogen om de tegenliggers op tijd te zien aankomen.
  • Wist je dat de straatwerkers hier al even lui als overal anders zijn? Voor het opvullen van de vele putten in de straat waren ze minstens met zes. Vijf man stonden achterin de laadbak van een kleine vrachtwagen, die van put tot put reed, waarna 1 van hen, zonder af te stappen, enkele scheppen aarde met stenen in de put gooide tot een klein hoopje werd gevormd. Het aanstampen gebeurde vervolgens door het andere verkeer er te laten over rijden. Bij de volgende regenbui wordt dit hoogstwaarschijnlijk terug allemaal weggespoeld en kunnen ze opnieuw beginnen.
  • Wist je dat de beste wc-brillen eigenlijk met lucht gevulde rubberen banden zijn, waardoor je heerlijk zacht zit en je op de duur begint uit te kijken naar je volgende wc bezoek?
  • Wist je dat de vrouwen hier meer geëmancipeerd zijn dan bij ons? Onderhoud van plantsoenen in de parken en op de pleinen, vegen van de straten, wegenwerkers en bouwvakkers, verkopers op de markten en hoeders van het vee: telkens vrouwen. De mannen zaten zich dikwijls te vervelen op een bankje voor hun huis
  • Wist je dat verkopers van kleurstoffen om wol te verven niet te betrouwen zijn? Voor je het weet duwen ze je een lepeltje met groen spul onder je neus met de bedoeling hiervan wat tussen je vingers te wrijven. Tot zover geen probleem, maar dan doen ze teken dat je het moet nat maken door er wat op te spuwen waarna het spul dieppaars tot rood kleurt en je 4 dagen later nog altijd met roze vingernagels rondloopt.


Sucre

Vandaag is een rustdag, althans dat is de bedoeling maar uiteindelijk stappen we toch 14km. We beginnen met een  rustige wandeling naar het noorden van de stad waar, net buiten de ring, de mercado campesino zou moeten zijn. Onderweg komen we langs de gewone mercado, een grote half-overdekte markt waar vooral fruit en groenten te vinden zijn. Het is een markt zoals elk dorp er wel een heeft.
Mercado Campesino
Verderop komen we steeds minder mensen tegen en vragen we ons af of het wel slim is om ons zover buiten de toeristische zone te begeven, maar net voorbij de ringweg komen we plots terug in de drukte. Hier lopen we door straatjes bezaaid met winkeltjes die hun waren tot op de stoep uitspreiden. Alles, behalve fruit en groenten, is hier te krijgen. De mercado zelf is ook overdekt maar de gangen waar we doorlopen bieden alleen kleding aan. De paspoppen zijn wel speciaal, die van de mannen dan toch: de hoofden hebben allemaal andere uitdrukkingen en vormen: uitstekende tongen, hanenkammen, buitenaardse wezens (eentje lijkt zelfs op hellboy).
Dit is niet zo interessant en dus zoeken we de openlucht terug op en komen toevallig in een straat terecht waar winkeltje naast winkeltje den duvel (en niet die van Moortgat) de hoofdrol speelt. Boven de ingangen hangen, in diverse formaten en stadia van ontwikkeling, lama-foetussen en -baby's, de toonbanken liggen vol vreemde kruiden en pakketjes met zeep, namaak-geld en cocabladeren. Nadere inspectie wordt echter niet op prijs gesteld en een foto durven we al helemaal niet maken, behalve deze hiernaast.

In de namiddag gaan we op het centrale plein op een bankje zitten om wat te lezen en nadien doen we een poging om een terrasje te vinden maar dat is blijkbaar niet de gewoonte hier. Er zijn trouwens heel weinig bars in de stad en de restaurants, voor zover je geen salmonella in de lokale gelegenheden wil riskeren, zijn ook dun gezaaid. Op TripAdvisor staat er eentje met een patio hoog aangeprezen, uitgebaat door een Belg, maar dat is sinds mei gesloten. Uiteindelijk vinden we iets met een balkon, waar op dit uur nog geen eten te krijgen is - eten kan doorgaans pas vanaf 18u - maar dat vinden we niet erg: het uitzicht is mooi en het bier koud.



maandag 12 september 2016

Dood

Sucre mag dan wel de officiële hoofdstad zijn, ze telt maar 200.000 inwoners en het oude gedeelte dat in een dal ligt is niet zo groot, waardoor we al na een kwartiertje stappen aan het aan de rand gelegen kerkhof kwamen.
Heel speciaal hier zijn de 5 tot 6 rijen hoge grafmuren, waar elk graf uit een glazen deur van 50 bij 50cm bestaat, die een kleine nis afsluit waarin, naast de naam en overlijdensdatum en vaasjes met bloemen vooral de gepersonaliseerde memorabilia opvielen. In de kindergraven was dit een uitstalling van speelgoed - van barbiepoppen tot kleine cars-autootjes, van kleine dino-poppetjes tot speelgoedsoldaatjes. In de volwassenen graven vielen vooral de kleine gevulde glaasjes en miniflesjes coca-cola en bier op. Hier en daar waren mensen bezig de inhoud te verversen - bloemenvaasjes werden uitgewassen en ververst, het raam werd gepoetst en waar dit nodig was werd de hulp ingeroepen van jonge kereltjes die met een laddertje rondliepen zodat de hoogste rijen ook te bereiken waren.
Achter deze nissen bevonden zich de kisten, die met een afdeksteen en wat mortel en witte pleister afgesloten werden. Dit inmetselen hebben we zien gebeuren toen er plots een lijkwagen met een stoet jammerende en huilende, volledig in het zwart geklede mensen kwam aangereden en aan een lege nis stopte. De familie probeerde duwend en trekkend zo dicht mogelijk bij de kist te komen die achter in de open wagen vervoerd werd. Hierachter volgde de best wel mooie muziek van een groepje van 5 mariachi's - in geel versierd pak en met sombrero: een zanger, 2 gitaren, een trompet en een accordeon -  en aangekomen bij het graf stortten de naasten zich luid wenend en roepend op de kist, waarna die door enkele arbeiders - in werkpak en met gele helm - de hoogte werd ingeduwd om in een nis te worden geschoven. Allen droegen de lokale kleding - rokken, poncho's, hoeden - maar dan volledig in het zwart en vormden een rij om de familieleden te groeten. Een van de jongere kerels met de ladders begon onmiddellijk de naam op de verse pleister te schrijven en gebruikte als pen de steel van een van de bloemen die hij uit het ernaast gelegen graf pikte.
Nog geen 10 minuten later kwam er een tweede lijkwagen aangereden, dit keer gevolgd door een veel kleinere groep - veel stiller en ingetogener en aan de kleding te zien ook veel 'moderner'. Een groot contrast met de eerste groep.
Omdat de stad toch kleiner leek dan gedacht zijn we vervolgens 2km verder naar een uitzichtpunt gestapt. En omdat een uitzichtpunt traditioneel hoog ligt, hebben we flink gezweet om de steile straten op te geraken. We liepen heel de tijd langs de rand van de stad en passeerden daarbij de gevangenis. Op de hoeken van de straat stonden zwaar bewapende agenten - die ons gewoon lieten passeren - en voor de poort van de gevangenis stond een watertruck te bevoorraden. Een groep gevangenen was onder het oog van wel 5 bewakers het water via grote teilen van de truck naar binnen aan het sjouwen.
Het uitzichtpunt lag op een plein, met een kerkje en museum aan een kant en een schaduwrijke gaanderij aan de andere. Het was ondertussen  middag en snikheet maar gelukkig was er een klein bar-restaurant met terras - een van de zeldzame terrassen - met zicht op de stad waar we de ergste hitte konden uitzitten.
Onze volgende stop was terug dichter bij het centrum waar we als enige bezoekers het kleine museum van lokale kunst - museo de arte indigena - bezochten: voornamelijk weefkunst en traditionele muziekinstrumenten. Aan een weefgetouw werd een typisch Jal'qa tapijtje gemaakt en aan de tijd die het kostte om 1 rij draad te weven werd het duidelijk waarom deze stukken zo duur zijn.
Jal'qa motief

De rest van de dag hebben we wat geluierd op het centrale plein en zijn we weer vroeg in ons bedje gekropen.


zondag 11 september 2016

Kleuren

We staan vroeg op en eten in een binnensteegje met voedselkraampjes. Het traditionele Boliviaanse ontbijt is hetzelfde als hun avondeten: kip met rijst en frieten. Wij houden het bij wat fruit, brood en kaas.
Het is vandaag zondag en dan is er markt in Tarabuco, 2 uren rijden, deze keer merendeels over een goede asfaltweg.
De markt in Tarabuco is heel kleurrijk. Van overal in de omgeving zijn mensen in traditionele klederdracht en hoeden naar hier afgezakt. Er zijn prachtige stoffen te koop, poncho's, mutsen. Hoe meer kleur ze hebben hoe minder traditioneel. De echte dure spullen hebben de kleur van de bergen: grijs, oker, rood, geel maar nooit te fel. Sommige handgeweven stukken zijn prachtig maar ook heel duur, er is dan ook weken aan gewerkt. Spijtig genoeg stopt de markt rond de middag en kruipen de meeste Bolivianen in busjes of de open laadbak van kleine vrachtwagens om terug naar de omliggende dorpen te reizen.
We eten hier in een van de weinige restaurants, toeristisch en met live muziek en dans. Jawel, onze eerste Condor Pasa.
Rond half drie vertrekken we richting Sucre, wat een rit van een uur zou moeten zijn, maar na een kwartier beslist een lekkende radiator hier anders over. Santiago haalt op een drafje water in een verder gelegen huis, wat op deze hoogte van 3200m niet evident is. Hij gaat zelfs nog eens terug om wat rubberstroken te halen waar onze chauffeur een o-ring uit snijdt om zo de dop van de radiator terug sluitend te krijgen. Het lijkt te lukken, maar 20km verder, in een volgende dorpje, stoppen we terug. We hebben het geluk met een Toyota te rijden, waarvoor onderdelen - volgens Santiago - zelfs in de apotheek te krijgen zijn. Na een uurtje rijden we met een nieuwe dop verder en bereiken zonder verdere problemen Sucre.
Wat een drukte! Wat een stank! Na een week natuur en rust zijn we de stad niet meer gewoon. We zitten hier op 2800m hoogte en het is hier onverwacht warm. Ons hotel - hostal de Su Merced - is een verademing: een gigantische kamer - een dubbel en enkel bed, een kleine salon, een geweldige douche - en dat vlak bij het centrale plein, waar we nog een kleinigheid gaan eten en het vele stof met evenveel bier - Paceña is ons favoriete merk geworden - wegspoelen.
hotel de Su Merced


zaterdag 10 september 2016

Stof

Vanmorgen om 6u werd het feest met enkele vuurwerkknallen afgesloten. Bedoeling was om het schooltje te bezoeken waarvoor La Higuera het meest bekend is. Hier werd Che namelijk een aantal dagen gevangen gehouden alvorens hij werd doodgeschoten door een dronken soldaat. Het originele gebouw bestaat niet meer en er is nu een klein museum maar we geraken er niet binnen: de vrouw die de sleutel heeft zit in de bergen om haar koeien te melken.
We hebben vandaag een rit van 150km voor de boeg. De eerste 30km is bergaf tot de Rio Grande, die vanwege de droogte niet zo grande is. Vanop de brug zien we in de kloof onder ons vele papegaaien, allemaal blauw met witte kop, heen en weer vliegen. In de verte zien we twee grotere exemplaren met feloranje kop.
Om een idee te geven van de staat van de wegen: over dit stukje van 30km doen we 2 uren. Vervolgens volgen we de rivier een eind door een barre woestijn. Het land steekt hier even hard als de zon: vele soorten cactussen, doornstruiken en een soort baobab, 'dronken boom' genoemd omdat hij heel gemakkelijk omvalt maar toch blijft leven.
Daarna rijden we verder richting zuiden, terug de bergen in. In een klein dorpje eten we ons lunchpakket op, scherp in het oog gehouden door enkele hongerige maar brave honden. De voorbereidingen voor het feest van Guadalupe zijn ook hier volop bezig. Voor de kinderen wordt een trampoline opgesteld en er staat een batterij van wel 20 shotterkaskes klaar.
Onze enige beweging van vandaag is een wandeling van 7km - 2 uren - naar de grootste waterval van het land: de Pajcha (quecha voor, inderdaad, waterval).
Het is al 18u eer we aan de laatste 20km naar Villa Serrano beginnen en we rijden deze 2 uren dan ook in het donker.
Het hotel in Villa Serano ziet er wat aftands uit. Na een bescheiden maaltijd in een lokaal restaurant - geen menu, plastieken tafels en stoelen, overmaatse en luide tv - kruipen we stoffig in ons bed. De douche houden we voor morgenvroeg.

vrijdag 9 september 2016

Che

Vanmorgen zijn we met zijn vieren, wij, Santiago de gids en Juan Carlos de chauffeur, richting Sucre vertrokken via de oude handelsroute. Het landschap veranderde al snel van groene bergen met nevelwoud naar okerkleurige bergen met cactussen: de chaco. 
Na drie uren rijden zijn we in Vallegrande aangekomen. Dit is een redelijk groot stadje waar bijna 50 jaar geleden de lichamen van Che en enkele van zijn kompanen naartoe zijn gebracht om tentoongesteld te worden voor de pers. We bezochten er het mausoleum op de plaats waar in 1995 het graf van Che is teruggevonden, het nog altijd gebruikte hospitaal met de waskamer en -tafel (en heel veel graffitti) waar zijn lijk enkele dagen heeft gelegen. Aan de rand van het stadje was ook nog de plaats te zien waar Tania, de enige vrouwelijke guerillera, samen met een tiental anderen in een massagraf onder een vuilstort zijn teruggevonden. In tegenstelling tot vijftig jaren geleden zijn Che en zijn guerrillagroep nu wel graag geziene gasten.
Het stadje zelf was heel levendig, de markt heel kleurrijk. We waren er de enige toeristen, naast twee Boliviaanse motards die een rondreis aan het doen waren.
Na de middag zijn we verder naar het zuiden gereden over stoffige wegen, recht het gebied in waar de guerillero's destijds opereerden. Via Pucara, een slapend dorpje op een bergflank en Jaguey, waar in de buurt de voorhoede van Che in een hinderlaag is gelopen kwamen we rond 17u aan in La Higuera, het dorpje vlakbij de kloof waar Che zijn laatste gevecht heeft geleverd. Op het kleine pleintje staan wel drie standbeelden van Che.
Hier logeren we in de Casa del Telegrafista, nu een primitief hotel, toen het huis van de telegraaf. We eten er bij kaarslicht en slapen in een authentieke setting.
In het dorp is het feest van de heilige Guadalupe bezig, de derde dag al, en vlakbij ons hotel is heel het dorp aan het feesten: veel lawaai (de beste omschrijving van de kakofonie die de zatte fanfare produceert), veel bier, veel dansende mensen. Onder een schitterende sterrenhemel kruipen we vroeg maar moe in ons kleine bedje.



donderdag 8 september 2016

Varen

Vandaag opgestaan met een stralend blauwe hemel en dat scheelde onmiddellijk in de temperatuur. Tijdens ons ontbijt in de zon werden een voor een de lagen kleding afgeworpen. Zalig.
Ons bezoek aan El Fuerte was ditmaal wel een succes. De wolk bleek een prachtige roodkleurige rots te zijn, door de Inca's versierd met jaguar, poema, abstracte zigzag lijnen, zonvormige uitsparingen, nissen voor mummies en meer.
Na de middag zijn we terug naar het Amboro park gereden, een andere kant deze keer, waar we een korte wandeling naar reuzenvarens hebben gedaan. Zeer indrukwekkend. Dankzij ons onhandige geklauter over boomstronken, ons gehijg en gepuf leek het of er echt nog dinosauriërs te horen waren. Dit nevelwoud kwam recht uit een Jurassic park episode.
Morgen beginnen we aan een driedaagse tocht door het gebied waar Che en zijn guerillero's hun laatste momenten hebben doorgebracht. Wij zullen dit waarschijnlijk wel overleven maar aangezien we zonder electriciteit of wifi zullen zitten, hoor je ons pas terug in Sucre.


woensdag 7 september 2016

Allemaal beestjes

In het midden van deze foto zie je een groene vlek en midden daarin staat een huisje. Daar hebben we de voorbije 2 dagen doorgebracht. Parque National Amboro, Refugio Volcanes.  De foto is genomen op de plaats waar de taxi ons bracht en waar we konden overstappen op een jeep, maar we zijn te voet naar beneden gegaan. Een uur stappen, maar net zoals de andere wandelingen die we hier gedaan hebben was dat niet zwaar genoeg voor ons en hebben we er dubbel zo lang over gedaan. De wandelingen waren de moeite: lange afdalingen, flinke klimmen maar de zeer mooi. Een troep apen die boven ons hoofd van boomtop naar boomtop voorbij trok, honderden papegaaien, groen met rode kop, die oorverdovend kwetterend voorbij vlogen, tojo's - een soort mini-toekan - die hun aan de takken hangende nesten aan het afwerken waren, een veelvoud orchideeen en bromelia's, een wolk transparante vlinders en dat allemaal tussen de rode bergen die het terrein omzoomden.

maandag 5 september 2016

First contact

We zijn twee dagen verder. Twee koude dagen. En dat is hier blijkbaar niet normaal want nergens is er verwarming: niet in ons appartementje, niet in de restaurants. Iedereen zit hier dan ook met jas en muts aan te eten. Bijgevolg lopen we hier al twee dagen rond in volle uitrusting: t-shirt, t-shirt met lange mouwen, dunne fleece, dikke fleece en regenjas. Zelfs de handschoenen zijn al gebruikt.
Voor vandaag hadden we een tocht naar El Fuerte en een tocht naar reuzenvarens gepland, maar vanmorgen kregen we te horen dat die varens niet zouden lukken omdat de jeeps de weg ernaartoe niet meer haalden door de modder. Omdat we de lage wolken overal rondom ons zagen hangen besloten we El Fuerte ook uit te stellen en pas 's middag te beslissen om dit al dan niet te doen. Donderdag hebben we nog een vrije dag en desnoods stellen we alles uit tot dan. En jawel, rond de middag kwam de zon erdoor en werd het zelfs warm. Wij dus op weg naar El Fuerte, maar helaas. Omdat deze oude Inca-site 300 meter hoger ligt dan ons dorp kwamen we daar midden in de wolken terecht. El Fuerte is een grote rots waarin verschillende motieven zijn gebeeldhouwd en via een mooie rondwandeling is dit langs alle kanten te bekijken. Wij zagen enkel een wolk langs alle kanten. Santiago, onze gids, had dit nog maar 2 keer meegemaakt: gisteren en vandaag. Hij heeft de tour dan ook afgebroken, is erin geslaagd om ons ticket 3 dagen geldig te maken en zal donderdag terugkomen. Volgens hem lag het aan de klimaatverandering maar wij weten beter: Veerle is in het land. De Bolivianen hadden zich dit eerste contact ongetwijfeld anders voorgesteld.

vrijdag 2 september 2016

Route

Alles gepakt, alles geregeld: we zijn er klaar voor.

Alvast een overzichtje van onze reisroute in Bolivia.

We vliegen naar Santa Cruz, vanwaar we direct naar Samaipata rijden. Hier verblijven we ongeveer een week, onderbroken met 2 dagen Nationaal Park Amboro.
Dan doen we de Che-route: 3 dagen met de jeep via de oude handelsroute naar Sucre.
Enkele dagen Sucre, enkele dagen Potosi en dan de bus naar Tupiza.
Van hieruit start een 4-daagse jeeptocht over de hoogvlakte naar de grootste zoutvlakte ter wereld: Salar de Uyuni.
Na deze tocht vliegen we naar La Paz waar we meer dan een week verblijven, deze keer onderbroken door een tocht naar het Titicaca-meer en een korte vlucht naar het Madidi Park.
En dan zit de maand er weer op...