Vandaag hebben we de duivel bezocht en maar net overleefd (of zo voelt het toch).
Met een minibusje rijden we naar de rand van de stad, samen met nog 6 andere toeristen en 3 ex-mijnwerkers, waar we in 'the warehouse' onze uitrusting krijgen: rubberen laarzen, een broek met vest en een helm met licht.
Daarna rijden we naar een winkeltje waar gerief voor de mijnwerkers wordt verkocht, gaande van helmen, houwelen, schuppen tot flessen water en frisdrank en dynamiet staven. Het is de bedoeling dat we hier geschenken voor de mijnwerkers kopen. Een set dynamiet - 1 staaf, een mengeling om de knal te versterken en een ontsteker - kost 25 bolivianos, een fles van 2 liter fanta kost 7 bolivianos (= 1 euro). We kopen van elk 2 stuks, maar ons gids ruilt 1 set dynamiet om voor 3 flessen frisdrank en 1 fles water. Achteraf gezien hadden we beter meer frisdrank gekocht want die zullen zeer gegeerd blijken. Om het hoekje worden cocabladeren verkocht, waarvan we ook 2 zakjes kopen (voor 10 bolivianos).
Dan rijden we naar een fabriekje waar het erts wordt verwerkt maar dat momenteel buiten bedrijf is. Door de instorting van de wereldprijzen voor zilver, tin en andere mineralen werken er momenteel nog maar 30.000 mijnwerkers in de berg, in plaats van 50.000, en daarom draaien niet alle fabrieken. We krijgen er uitleg over het proces, waarbij veel schadelijke chemicaliën worden gebruikt en krijgen een portie cocabladeren om te proberen. De mijnwerkers eten hier massa's van: het helpt hen door de dag, geeft kracht en werklust, en het is het enige wat ze eten tijdens het werk. In de mijn is er te veel stof om te eten en ze krijgen dit al genoeg in de longen en dus wordt de maag ontzien.
Dan rijden we de berg omhoog tot 4400 meter, naar een van de mijnconcessies. Het eerste wat opvalt zijn de mijnkarretjes, dezelfde die je ook in de Indiana Jones film te zien krijgt. Erachter, net aan de rand van de berg loopt een smal spoor waar af en toe een gevuld karretje wordt gelost: de inhoud stort een tiental meter dieper waar vrachtwagens klaarstaan om het naar beneden te voeren. Elk karretje wordt door 2 tot 3 personen bedient: 2 om te duwen, 1 om te trekken. Vol wegen ze 2000kg, leeg 400kg. Onze gids deelt al onmiddellijk enkele flessen frisdrank uit, die dankbaar worden aanvaardt en direct leeggedronken.
We volgen het smalle spoor door een bocht en zien dat het 50m verder in een zwart gat in de berg verdwijnt. Wij volgen.
En dan begint de hel. De gang is net breed genoeg voor een karretje, ongeveer een meter en de hoogte varieert tussen 1 meter en op korte stukjes 2 meter. Hier en daar is de gang breder en daar moeten we gebruik van maken telkens een karretje voorbij komt gedonderd. De volle karretjes hebben voorrang maar er is maar 1 spoor en dus worden de lege karretjes telkens van het spoor gelicht en gekanteld. Soms gebeurt dat net op de plaats waar wij gehurkt zitten te wachten en dan moeten we snel genoeg achteruit springen. Wanneer het spoor terug vrij is haasten we ons verder, gebukt lopend, de weg enkel verlicht door onze eigen lampen. Wanneer we voor of achter ons lichtbundels zien verschijnen moeten we maken dat we op een plaats zijn waar we kunnen uitwijken en komen de loodzware karretjes piepend en krakend voorbij gestormd. Soms gaat het wat bergaf en komt eerst een mijnwerker aangelopen, op de hielen gevolgd door een volle kar waar 2 anderen achter aanhangen en hun voeten als rem gebruiken. Soms worden de lege karren niet ver genoeg opzij geworpen en knallen ze op mekaar. De volle wordt dan enkele meters terug getrokken om opnieuw vaart te kunnen maken. En zo lopen we, gebukt, stof inademend, hijgend en met een hartslag in overdrive wel 300 meter recht de berg in.
Gelukkig slaan we een zijspoor in waar de karretjes op dit moment niet meer komen. Hier kunnen we even uithijgen. We lopen gebukt verder en de lucht wordt vies. De hel ruikt niet naar zwavel maar gezond is het niet. Deze gang wordt niet door de cooperativas gebruikt maar door individuele mijnwerkers die nog alles met de hand doen: kruiwagen of draagzak, hamer en beitel om de gaten te hakken waar het dynamiet in past en veel cocabladeren. Telkens een ader wordt gevonden moeten ze beslissen om deze naar beneden of naar boven te volgen, meestal gaan ze in beide richtingen. We zijn hier op zo een punt aangekomen en en de gids vraagt welke richting we willen volgen. We kiezen voor beneden, maar omdat we eerst over een gat van 3 meter diep en even lang moeten en enkel de rails hebben om over te lopen besluit Veerle om hier te blijven wachten. Een wijze beslissing blijkt achteraf want hier begint de 2de laag van de hel. Ons groepje bestond aanvankelijk uit 4 toeristen en 2 ex-mijnwerkers. Na 50 meter heeft de vrouw van het andere koppel al rechtsomkeer gemaakt wegens te claustrofobisch. We dalen dus nog maar met zijn drieën een houten ladder af, een 5-tal meter naar beneden. Slechts 10 meter verder zit een mijnwerker op de grond, zich vol te proppen met cocabladeren en te wachten tot het stof en de giftige dampen van het dynamiet, dat hij 5 minuten eerder heeft doen ontploffen, zijn weg getrokken. Hij is 23 jaar en doet dit werk al sinds zijn 15de, in navolging van zijn vader en grootvader.
We keren om, passeren de ladder en gaan dieper de mijn in. De tunnel wordt eerst smaller, ik moet er dwars door en gaat dan wat omhoog en dan verdwijnt onze gids in een gat van nog geen 40cm hoogte. Eerst op de knieën over steenblokken en dan op de buik door het zwarte steengruis volgen we hem. Na 5 meter komen we in een grotere ruimte van toch wel 10 meter hoog. We klauteren een stukje omlaag waar onze gids de pas gemaakte gaten laat zien waar het dynamiet in gaat, links en rechts van een ader. Een staaf dynamiet is ongeveer 25cm lang maar wordt in 3 stukken gesneden. Dit gaat als eerste, samen met een ontsteker en een lont van 5 minuten, het gat in. Daarna volgt een staaf met chemicaliën die de explosie versterken en dan een staaf steengruis om het gat te dichten. Terwijl 1 mijnwerker hiermee bezig, klimmen we 3 meter hoger naar een andere die met een hamer blokken erts aan het verbrijzelen is om zo de goede van de minder goede stukken te scheiden. We doen een kort praatje met hem tot wordt geroepen dat het tijd is. We haasten ons terug, naar beneden, naar boven, door de smalle gang en terug op de ladder. Buiten adem komen we boven, waar Veerle zit te wachten en lopen nog een 20-tal meter verder tot er vanalles geroepen wordt en de gids ons aanmaant om op de hurken te gaan zitten. BROM!!, BROM!, met een doffe knal ontploffen de eerste twee dynamietstaven. De volgende drie zijn al wat luider. BROOOM!!!. Dat was alles, volgens onze gids en dus gaan we verder, terug richting uitgang.
Ik ben kapot en wil hier weg. Geen lucht, geen plaats om rechtop te lopen, zwarte handen en gezicht van het klauteren, zwetend! En het verschrikkelijke stuk waar we bijna moeten lopen en telkens opzij moeten springen voor de karretjes moet nog komen.
Halverwege dit stuk slaan we even een zijgang in waar we El Tío (de nonkel), een naamafleiding van Dio (god) die de Spanjaarden hier geïntroduceerd hebben. In de verhalen over god en duivel, hemel en hel, wisten de indianen direct hoe de hel eruit zag: binnen in deze berg. El Tío is een beeldje dat door de mijnwerkers wordt aanbeden en waar ze, door hem een sigaret te geven en wat pure alcohol te plengen, om voorspoed, geluk en gezondheid vragen.
Op het einde van de tunnel schijnt een licht. Wanneer we buiten komen in het zonlicht halen we opgelucht adem. Wat was dit!?! Geëmotioneerd lopen we terug naar het busje dat ons naar beneden brengt. Iedereen is stil en zwaar onder de indruk. Net voor het busje zie ik een jong hondje, de bovenste helft donkerbruin, de onderste lichtbruin door het stof. Een lief hondje. Braaf hondje. Dit blijf ik herhalen tot we terug in de stad zijn om mijn gedachten weg te houden van de hel die 30.000 tot 50.000 jonge kerels elke dag moeten doorstaan tot ze...
'Hoe lang ben je van plan om dit werk nog te doen', vroegen we aan Jaime, die op het diepste punt zijn erts zat te sorteren. De gids aarzelde wat om het te vertalen. 'A la muerte' hoorde ik hem schouderophalend fluisteren.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten