zondag 25 september 2016

Inca

Vanmorgen hangen er nog flink wat wolken, maar dat duurt niet lang. We vertrekken met al onze bagage, veel te veel dus, richting dorp om daar via de Inca-trap, een redelijk steil pad, af te dalen naar de baai waar de boten liggen. Halverwege komen we aan een bron waar uit 3 gaten water spuit. Volgens de gids komt dit van aan de overkant van het meer uit de gletsjers en wordt het onder het meer door geperst tot hier. Dankzij dit water is het hier groen en staan er enkele bomen, de grootste zijn eucalyptusbomen, ooit meegebracht uit Australië. Vanaf hier zijn het nog een 200-tal treden tot aan het water.
Isla del Sol zou de geboorteplaats van de Inca,s zijn. De twee stichters Manco Capac en Mama Ocllo zouden  naar hier gevlucht zijn toen het Tiwanaku-rijk ten onder ging door een grote droogte, waardoor het Titicacameer 40 meter lager kwam te liggen. In het noorden van het eiland zouden, volgens de Inca's, de zon en de maan geboren zijn. Omdat het meer veel lager was wordt zelfs gedacht dat Atlantis hier ligt. In ieder geval is Cousteau hier nog op zoek gegaan naar ondertussen onder het water liggende tempels en paleizen, zonder succes evenwel. Dankzij het bewakingswerk van zeemeerminnen is de stad nog altijd niet gevonden.
Wij nemen de boot naar het noorden en stappen vervolgens via een niet al te steil pad nog verder noordwaarts, tot een belangrijke rots waar zowel een poema (Titi = poema, Caca = grijs) als het hoofd van Viracocha zouden te zien zijn. In de Incatijd was deze rots volledig bedekt met goud en zilver maar nu is er heel veel verbeelding nodig om er iets figuratief in te zien. Viracocha was trouwens een soort god, met baard en snor , wat geen Indiaanse kenmerken zijn. Het is een van de redenen waarom de spanjaarden dit volk zo gemakkelijk konden onderwerpen, want zij hadden wel haargroei op het gezicht waardoor de Inca's dachten dat hun god was teruggekeerd.
Enkele meters voorbij de rots liggen de ruïnes van een tempel, het labyrinth (La Chincana). Het is een wirwar van kamertjes en gangen waarvan nu alleen de muren nog rechtstaan.


We blijven niet lang want we moeten de boot van 13u30 halen, die ons terugbrengt naar het zuiden, waar we eten en op de boot terug naar Copacabana wachten. Terwijl we wachten zien we de een na de andere boot aankomen met plaatselijke bevolking die voorraad zijn gaan inslaan op het vasteland. Langs de andere kant komen anderen aan met ezels die als transportmiddel zullen gebruikt worden. Het is een kleurrijk spektakel, vooral omdat het zondag is en iedereen op zijn best gekleed is.
De busrit naar La Paz is ook een beleving. In het donker, iedereen toeterend voorbijstekend, doorreen geschud op de vele omleggingen omdat aan de weg gewerkt wordt, bereiken we tegen 23u het busstation. Onderweg, in El Alto zien we apocalyptische taferelen: mensen die tussen de graafmachines aan een eetkraampje staan, wolkjes damp uitblazend van de kou, een troep van wel 20 honden die even verder in het ronde schijnsel van een straatlantaarn rond een berg opengescheurd vuilnis staan te eten, mensen die haastig hun weg naar huis zoeken en daarbij het verkeer moeten zien te ontwijken want auto's stoppen hier niet voor voetgangers, bussen niet voor auto's.
Gelukkig is er vervoer naar ons hotel geregeld en kunnen we snel in bed kruipen want morgen moeten we er al om 5u uit om onze vlucht naar de Amazone te halen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten